op één van die totaal nutteloze dagen
Op één van die zeldzaam hete dagen, waarop een mens of op het water zit, of zich binnen schuil houdt tot het beter wordt en er weer te ademen valt, zat ik op een stoel. De hele dag. Dezelfde stoel. Te misselijk, te moe, te zwak om ook maar iets zinnigs te doen. Oké: ik breide een paar naalden, ik las een hoofdstuk uit een boek, ik kookte mijn eigen eten, ik deed een wasje maar dat was het dan ook. Geen mens gehoord of gezien. Zelf geen appje verstuurd of op een andere manier van me laten horen. Niets gedaan dus voor een ander. Geen bijdrage geleverd aan de vrede in de wereld, zal ik maar zeggen. En langzaam kreeg die donkere stem vat op me. Wat beteken ik nog? Had het niet anders gekund? Ik sprak erover met God, met wie ik nu een nieuw begin maak. Ik zei: waar zijn die nutteloze dagen nu goed voor? Waar wacht ik op? Wat kan ik al doen? Tot mijn verbazing was God heel tevreden over de dag. Ik zei nog: 'waarom?' Maar Hij liet het me zien. 'Weet je nog hoe deze ochtend de kat ...